Deelmobiliteit: van buzzwoord naar werkelijkheid

Deelmobiliteit is ‘hot’. Iedereen heeft het erover. En niet voor niets, de beschikbare ruimte in onze steden staat immers aan alle kanten onder druk. Met een forse woningbouwopgave, de klimaatdoelstellingen, de energietransitie én de behoefte om te kunnen blijven reizen van A naar B, groeit de vraag naar nieuwe oplossingen. De G40 maakt zich niet voor niets druk om slimme, duurzame verstedelijking. Deelmobiliteit is een van die nieuwe oplossingen, waarover veel wordt gesproken. Tot nu toe lijkt het nog vooral een buzzwoord. Hoe brengen we die ontwikkeling naar de werkelijkheid?

Overal om ons heen zien we de markt van deelmobiliteit groeien: het aanbod van onder meer deelauto’s, deelfietsen en deelscooters is divers. ‘Gemeenten worstelen allemaal met een toenemende druk op de schaarse ruimte, en willen ‘iets’ met deelmobiliteit en hubs”, zo vertelt Eric Mink, programmamanager MaaS bij het ministerie van IenW. ‘Op wetenschappelijk gebied weten we nog weinig van deelmobiliteit, terwijl groeicijfers wel aantonen dat er veel potentie is. Daarnaast kunnen we met deelmobiliteit het beslag op parkeerruimte flink terugbrengen. Daarbij wegen deelautogebruikers hun autoreis zorgvuldig af en gebruiken ze ook vaker het openbaar vervoer, wat een vermindering van de CO2-uitstoot oplevert. Vooral stadsbewoners geven in toenemende mate aan ‘gemak’ belangrijker te vinden dan ‘bezit’ en waarderen daarbij de lagere kosten. Deelvervoer vormt voor hen een mooie aanvulling op het openbaar vervoer.’ (Zie factsheet autodelen 5 argumenten voor autodelen)

In opdracht van het CROW deed Empaction onlangs onderzoek naar hoe consumenten aankijken tegen deelmobiliteit en onder welke omstandigheden zij bereid zijn de eigen auto achter te laten bij een verhuizing naar een stedelijk gebied waar deelmobiliteit beschikbaar is. (zie Eindrapport-Benchmark Deelmobiliteit in Gebiedsontwikkeling)

‘De uitkomsten zijn heel waardevol en laten zien dat voorkeuren kunnen veranderen. Als deelmobiliteit en deelconcepten in alle opzichten volwassen zijn, vergroten we daarmee de keuzevrijheid voor de consument’, aldus Mink.

Niet voor niets zien we het gebruik van deelmobiliteit ieder jaar toenemen (zie Monitor Gebruik deelauto's en Nederlandse deelscooter economie relatief sterkst gegroeid wereldwijd). Toch blijft het aan de aanbodzijde nog vooral bij kleinschalige initiatieven en lijkt de samenhang tussen steden onderling en op nationaal niveau nog te ontbreken. De behoefte aan eensluidende afspraken en regelgeving groeit, zeker ook aan de kant van de markt. Aanbieders van deelmobiliteit vragen om meer duidelijkheid en heldere regels, die overal in Nederland hetzelfde zijn, ziet Mink. En deze roep om het harmoniseren van afspraken, (data)standaarden en kennis wordt steeds luider.

Harmoniseren

In de ideale situatie is deelmobiliteit in het hele land, dus van Zeeland tot Oost-Groningen, op dezelfde manier geregeld. Dat maakt het niet alleen voor gemeenten onderling gemakkelijk om van elkaar te leren en dezelfde werkwijze te hanteren, maar het maakt het speelveld voor marktpartijen ook stukken overzichtelijker. Of ze nu in Appelscha of in Amsterdam werken aan een aanbod voor deelmobiliteit, de uitgangspunten zouden vergelijkbaar moeten zijn. Dat scheelt tijd en energie en natuurlijk ook geld voor alle betrokkenen. ‘We zullen processen eenvoudiger moeten maken en veel meer moeten harmoniseren, terwijl gebruik en gemak voor de consument overal hetzelfde zijn.’ Mink geeft het voorbeeld van hubs; locaties waar verschillende vormen van deelvervoer worden aangeboden. ‘Iedereen kent een NS-station, dat is heel herkenbaar. Voor hubs is die herkenbaarheid en vindbaarheid er nog niet, hooguit op regionaal niveau. Hoe weet je als consument waar zo’n hub is, en hoe weet je welke vormen van deelvervoer daar dan op die bewuste plek worden aangeboden? Het zou mooi zijn als die herkenbaarheid net zo groot wordt als die van haltes en stations.’

Kijken we dan naar concrete oplossingen en de benodigde regelgeving en standaardisatie, dan ziet Mink daar een rol voor het ministerie. ‘Door partijen en daarmee relevante kennis en ervaring veel meer met elkaar te verbinden, doorbreken we die versnippering en fragmentatie. We brengen zaken dan samen met alle relevante spelers – dus gemeenten en aanbieders van deelmobiliteit - meer op een lijn en kunnen zo de krachten bundelen. Daarmee kunnen we sneller opschalen en vergroten we de impact van deelmobiliteit overal in het land.’ En dat vraagt wat Mink betreft op het parallel schaken op meerdere borden. Zo kan een uniforme exploitatievergunning voor deelmobiliteit helpen bij een snellere opschaling. ‘Via die vergunning kan worden gezorgd dat al het aanbod overal digitaal beschikbaar is via alle apps, door het gebruik van een TOMP-API als vergunningvoorwaarde te stellen. Daarnaast is er al door veel deskundigen gesproken over de grote waarde van een nationale deelautoparkeervergunning. Stuk voor stuk lijken het cruciale pijlers om deelmobiliteit echt in beweging te krijgen.’

Handreiking

Er zijn al handreikingen voor gemeenten, zo vervolgt Mink, bijvoorbeeld voor het autodelen. ‘Verder zijn er contractafspraken tussen deelfiets- en MaaS-partijen die nu worden uitgebreid en we hebben de eerder al genoemde TOMP-API voor data-uitwisseling. We hoeven dus zeker niet op nul te beginnen.’ Mink benadrukt het grote belang van het delen van kennis en het gebruikmaken van deze en andere handreikingen en de lessons learned. Ook vanuit de werkgroep Krachtenbundeling Deelmobiliteit lopen verschillende initiatieven. ‘Om al die informatie beter te kunnen combineren en ontsluiten, richten we een community Deelmobiliteit in als centrale plek op DMI (dutchmobilityinnovations), die voor iedereen toegankelijk is. En natuurlijk blijft het van belang om gedegen onderzoek te (laten) doen naar de (on)mogelijkheden van deelmobiliteit en de belangrijkste acties voor de komende tijd.’

Slim samenwerken

Daarbij, ziet Mink voor het ministerie van IenW vooral een rol als ‘verbinder’. ‘Nu lijkt het soms alsof iedereen gefocust is op het ontwikkelen van de meest fantastische concepten, die vaak als pilot worden uitgerold. Daarbij ontstaat op sommige plekken wildgroei en gaat veel tijd en energie verloren aan eindige pilots. Om een uitgebreid en hoogwaardig aanbod van deelmobiliteit te kunnen realiseren, is dus meer samenwerking nodig: tussen gemeenten onderling, tussen gemeenten en rijk en tussen overheid en markt. En daar kunnen wij van toegevoegde waarde zijn, ook door binnen het Rijk met collega’s van bijv. BZK te kijken hoe we deelmobiliteit als middel kunnen inzetten om grotere woonopgaven in steden op een verantwoorde manier snel op te pakken. De G40 maken zich niet voor niets druk om slimme duurzame verstedelijking. De opgaven zijn groot en ruimte is schaars. Dan komt het echt aan op meer en slim samenwerken en samen verder komen. En dan blijft deelmobiliteit niet langer een buzzword…..maar maken we het werkelijkheid.’

Benieuwd naar de meest recente inzichten, feiten en cijfers rond deelmobiliteit? Bezoek dan de nieuwe community Deelmobiliteit op DMI.